Vrijwillige vertrekregeling geen 'regeling vervroegd uittreden'

28/03/2017 - door Evert Smit

De overheid wil dat werknemers tot hun pensioendatum door blijven werken en heeft de belastingvoordelen voor VUT- en prepensioenregeling afgeschaft. Als de Belastingdienst een ontslagregeling aanmerkt als een “Regeling Vervroegd Uittreden” (RVU), staat daar zelfs een boete op. Een recente gerechtelijke uitspraak kan in dat laatste verandering brengen.

Als werkgevers werknemers ouder dan 55 jaar ontslaan met een ontslagvergoeding die bedoeld is om de periode tot aan de pensioendatum te overbruggen, spreekt de Belastingdienst van een ‘RVU’ en legt hij een boete op van 52 procent van die vergoeding. Door deze regeling is vervroegd uittreden bij collectief ontslag zo goed als uitgestorven.

Het gerechtshof van ’s-Hertogenbosch deed op 18 november 2016 echter een interessante uitspraak. De zaak betrof een onderneming waar 230 werknemers bij een reorganisatie collectief ontslag zouden krijgen. De werkgever had met de vakorganisaties een sociaal plan afgesloten, waarbij boventallige werknemers via het afspiegelingsbeginsel werden aangewezen voor ontslag. Het sociaal plan bevatte een vrijwillige vertrekregeling. Hiervan kon alleen na goedkeuring van de werkgever gebruik gemaakt worden. De ontslagvergoeding was gebaseerd op de kantonrechtersformule en kon niet hoger zijn dan de te verwachten inkomensderving tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Om een mogelijke boete te voorkomen, verzocht de werkgever de Belastingdienst een beschikking af te geven dat de vrijwillige vertrekregeling geen RVU was. De dienst weigerde en de werkgever stapte naar de rechter. Die oordeelde dat de Belastingdienst niet aannemelijk had gemaakt dat de werkgever de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers te laten vertrekken. Dus: geen RVU.

De Belastingdienst ging in beroep, maar dat is door het gerechtshof van ’s-Hertogenbosch ongegrond verklaard. Het door de Belastingdienst aangevoerde argument, dat partijen feitelijk de bedoeling hadden om een vervroegde uittredingsregeling te ontwerpen, vindt het Hof irrelevant. Daarnaast wijst het er op dat alle werknemers, ongeacht leeftijd, van de regeling gebruik kunnen maken. Tot slot voert het Hof aan dat er in de regeling geen bepalingen zijn opgenomen waardoor er geen andere werkzaamheden mogen worden verricht, of waardoor inkomsten van andere werkzaamheden in mindering worden gebracht op de beëindigingsvergoeding; bepalingen die kenmerkend waren voor VUT-regelingen.

De uitspraak dat een vrijwillige vertrekvergoeding niet kan worden aangemerkt als een ‘RVU’ heeft verstrekkende gevolgen. De werkgever hoeft immers geen strafheffing van 52 procent aan de fiscus af te dragen. Dit opent de mogelijkheid om in veel meer sociale plannen dergelijke vrijwillige vertrekregelingen op te nemen. De Belastingdienst heeft cassatie aangetekend, maar de vraag is of de staatssecretaris dat gaat doorzetten. De bizarre situatie doet zich namelijk voor dat de Belastingdienst zelf ook zulke vertrekregelingen heeft.

OR-advies:

Houd een goed oog op de mogelijkheden die deze uitspraak biedt voor plaatsmakers- en vrijwillige vertrekregelingen in sociale plannen.

OR-links:

WOR Art.25, lid 3 (Adviesaanvraag dient de beweegredenen van het voorgenomen besluit, de personele gevolgen, en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen –sociaal plan- te bevatten).

Actueel nieuws | Nieuwsarchief

Nieuwsbrief

Niets missen? Volg ons!

Aanmelden nieuwsbrief ondernemingsraden

Wilt u meer weten?

Neem contact op met ons secretariaat

030-2331272
info@basisenbeleid.nl