Winst geen waarborg tegen bedrijfssluiting

04/08/2016 - door Paul Melsen

Recentelijk kreeg de OR van een Nederlandse vestiging van een internationaal concern een adviesaanvraag over verplaatsing van de productieactiviteiten naar een andere, buitenlandse locatie. Uit de jaarrekening bleek dat de Nederlandse vestiging een aanzienlijke winst had behaald. Maar winst is binnen concerns een relatief begrip en is lang niet altijd een goede graadmeter voor de continuïteit van een vestiging. Voor een goede beoordeling moet je op zoek naar de ‘getallen achter de getallen’.

‘Virtuele winst’

Internationale concerns met meerdere vestigingen hanteren vaak een zogenaamde intercompany prijs, een interne verrekenprijs. De producerende vestiging krijgt een bepaalde vergoeding voor haar activiteiten, veelal een marge op de kostprijs. Deze marge is de ‘winst’ van de vestiging. Dit boekhoudkundige resultaat staat los van de werkelijke winst die concern breed op het product wordt gehaald. Het kan zijn dat een vestiging ‘virtueel’ winst maakt terwijl het product in feite verlieslatend is. Naast de productiekosten worden ook nog andere kosten gemaakt (verkoop, logistiek, concernkosten en dergelijke). Veelal hebben de individuele vestigingen hier onvoldoende zicht op.

Costcenter of resultcenter

In het verlengde van bovenstaande speelt bij veel vestigingen de vraag of zij cost center of result center zijn. In het eerste geval is het bedrijf alleen verantwoordelijk voor de productie als onderdeel van de totale productieketen. Een result center is winstverantwoordelijk en eigenaar van de totale keten, inclusief verkoop, logistiek et cetera. Door de wijze van interne verrekening kunnen de winsten tussen de vestigingen (binnen de kaders van afspraken van het bedrijf met de fiscus en de belastingafspraken tussen landen) verschoven worden. De definitie van ‘marktconforme’ kostprijzen leidt in de praktijk tot zeer veel discussies.

‘Synergievoordelen’

Internationale concerns kijken niet zozeer naar de winst per vestiging, maar naar de winst die wordt gemaakt door alle vestigingen gezamenlijk. De meeste concerns zijn gegroeid door overnames. Zij kunnen forse kostenbesparingen bereiken door onderdelen te integreren. Dit wordt ‘het realiseren van synergievoordelen’ genoemd. In de praktijk leidt dit veelal tot concentratie van de productie op een beperkt aantal locaties en de centralisatie van staf, ondersteunende diensten en R&D activiteiten. Deze tendens is door de afnemende vraag tijdens de crisis versterkt.

Verplaatsing naar lage lonen landen

Een tendens die al een groot aantal jaren geleden in gang is gezet is outsourcing (uitbesteding van werkzaamheden) en offshoring (uitbesteding en verplaatsing naar een ander land). Dit betrof aanvankelijk vooral de productieactiviteiten, die werden verplaatst naar landen met lage loonkosten. In de zeer goedkope landen bedragen de loonkosten slechts 10% á 20% ten opzichte van die in Nederland. Ook bij een aanzienlijk lagere arbeidsproductiviteit valt hiertegen nauwelijks te concurreren. De laatste jaren wordt ook steeds vaker ‘hoogwaardig’ geclassificeerd werk, zoals financiële administratie en ICT, verplaatst naar lage lonen landen, zoals China en India. De ervaringen van bedrijven die deze stap hebben genomen zijn echter divers. Voor ondernemingsraden is het bij offshoring een hele opgave om van alle aangedragen argumenten het ‘kaf van het koren’ te scheiden. Het gaat niet alleen om een ‘kale kostenvergelijking’. De veelal niet gekwantificeerde afbreukrisico’s worden vaak gebagatelliseerd en onderschat.

Actueel nieuws | Nieuwsarchief

Nieuwsbrief

Niets missen? Volg ons!

Aanmelden nieuwsbrief ondernemingsraden

Wilt u meer weten?

Neem contact op met ons secretariaat

030-2331272
info@basisenbeleid.nl